Ik pak mijn bal, en loop naar beneden. Als ik de deur open wil doen valt mijn oog op het briefje. Tussen tien en twaalf uur mag niemand naar buiten om nadere redenen. Ik zucht. Het liefst gooi ik de bal ergens in de hoek in de gang, maar ik heb even geen zin om straf te krijgen. De vorige keer was erg genoeg. Ik loop weer naar boven. Dan zie ik dat de deur van Ada open staat. Ik loop er naartoe en klop zachtjes op de deur. “Kan ik binnen komen?” Ik hoor niets en steek mijn hoofd om de hoek. Ada zit met een verdwaasd hoofd op de rand van het bed. Ik kijk haar vragend aan maar ze schud even licht haar hoofd, voor mij een teken dat ik niet door moet gaan vragen. Ik loop naar het raam en schuif het gordijn een eindje opzij. Er staan 2 nieuwelingen op de stoep. Een meisje, dat spontaniteit uitstraalt, en een jongen. Hij heeft een koptelefoon op en besteed helemaal geen aandacht aan datgene wat er allemaal om hem heen gebeurt. Aan zijn stijl te zien en het deinzen van zijn hoofd denk ik dat het metal is. Ook door mijn eigen ervaringen. Nu kan ik het niet laten vragen te stellen. “Wist jij dit al?” Ik plof naast Ada op het bed. Ze kijkt er niet zo blij bij, en ik sta alweer op om te vertrekken als ze zegt: “Wacht. Ik ben even de draad kwijt. Die jongen, die heeft me zonet betrapt op het kijken. Ik zit al jaren in die vensterbank maar hij, ik heb echt geen idee hoe hij weet, heeft me zonet gezien. En ja, ik wist dat ze zouden komen, maar dat heb ik met zoveel dingen.” Ik knik begrijpend. Ada heeft me wel eens een groot deel van de dingen vertelt, maar nog nooit echt alles naar mijn denken. Maar dat hoeft om mij ook niet. Ze weet vaak dingen die ze heel officieel (nog) niet kan weten. Ik zelf heb dat probleem niet. Maar bij mij zit het dieper. Ik moet vaak even mijn energie kwijt. En met name mijn frustratie. Wanneer ik te lang met opgekropte gevoelens rond loop krijg ik een woede aanval. Dit kan zelfs zo erg zijn dat er een deur sneuvelt of nog erger. Ik heb al meerdere malen in het ziekenhuis gezeten met gebroken tenen/vingers/middenhandsbeentjes/middenvoetsbeentjes door mijn woede aanvallen. Ik loop nu toch echt de kamer uit. Over de gang naar mijn eigen ruimte. Ik heb even geen zin in bezoek. Ik voel dat ik mijn energie kwijt moet, maar omdat ik niet kan voetbalen moet ik iets anders verzinnen. De deur gaat op slot en ik pak een boek. Halverwege het lezen val ik in slaap. Ik wordt wakker door de zoemer voor het eten. Gedesorienteerd loop ik de trap af en loop op mijn plek af. Als ik daar bijna voor sta, zie ik dat er iemand anders zit. Ik draai me naar het hoofd van de tafel waar mevrouw Smith zit. Ik kijk haar vragend aan, het schreeuwen laat ik bewust eerst even achterwege. “Het spijt me Stephen, maar je moet voor vandaag maar ergens anders zitten. Lucy is net nieuw en zit nu hier. Wanneer ik de tafel verder bekijk zie ik ook meerdere nieuwelingen zitten, waaronder die twee van vanochtend. Ik zoek Ada op en gelukkig is er nog een plaatsje vrij naast haar. Ik begin zwaarder te ademen en voel een aanval opkomen. Ik moet energie kwijt. Ik verontschuldig me tegenover mevrouw Smith en haal mijn rode kaart uit mijn zak. Dit is voor de leiding een teken dat ze me niet tegen moeten houden en me laten gaan. Ik ren mijn kamer binnen, trek mijn sportkleren en –schoenen aan en ren dan de deur uit. Ik heb geen idee hoe lang mijn blokje om duurt. En als ik uiteindelijk weer bij de school aankom zie ik op mijn horloge dat ik ongeveer anderhalf uur weg ben geweest, maar het heeft gewerkt. Ik ben mijn woede kwijt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten